De Bijlesstudent

Betrekkelijk voornaamwoorden/relative pronouns

Bijles Engels VMBO

Wat is een betrekkelijk voornaamwoord?

Betrekkelijk voornaamwoorden gebruik je in een zin om onderdelen aan elkaar te koppelen. Betrekkelijk voornaamwoorden kun je zien als lijm, die twee zinnen aan elkaar plakt/verbindt.

In het Engels hebben we de volgende betrekkelijk voornaamwoorden: who, which, whose, whom, that en where.

Je kunt door betrekkelijk voornaamwoorden te gebruiken extra informatie in een zin stoppen en als ware vaak van twee zinnen een zin maken. Voorbeeldzinnen hiervan zijn:

  • I watch ‘la casa de papel’ with my sister.
  • My sister lives in Rotterdam

→ I watch ‘la casa de papel’ with my sister, who lives in Rotterdam

  • I play field hockey with my friends,
  • Field Hockey is my favorite sport

→ I play field hockey, which is my favorite sport.

In deze voorbeeldzinnen gebruik ik who en which om er een zin van te maken.

Hoe gebruik je betrekkelijke voornaamwoorden?

Gebruik van betrekkelijk voornaamwoorden

  • who/that: Je gebruikt de betrekkelijk voornaamwoorden who of that als je wilt verwijzen naar personen.

1) The man who helped me at Central Station was a colleague of my dad.

    The man that helped me at Central Station was a colleague of my dad.

2) These kids who are playing outside, are orphans

  • which/that: Je gebruikt de betrekkelijk voornaamwoorden which of that als je verwijst naar dieren of dingen.

1) This is the book which I wrote a year ago.

    This is the book that I wrote a year ago.

2) His house, which is fantastic, is sold for a very low price

Whom als betrekkelijk voornaamwoord

  • whom: Je gebruikt het betrekkelijk voornaamwoord whom als je verwijst naar personen.

1) The student whose father died, does not have to take the exam tomorrow.

2) My friends whose mother is a teacher, truly hates kids.

  • where: Je gebruikt het betrekkelijk voornaamwoord where als je verwijst naar plaatsen of locaties.
  • 1) The coffee kiosk where I get my coffee everyday will be closed.
  • 2) The United Kingdom, where the weather is very rainy, is a nice country.