De Bijlesstudent

Le conditionnel

Bijles Frans VMBO

Wanneer gebruik je de conditionnel?

Le conditionnel is de Franse ‘zou’-vorm. Le conditionnel is dus de onvoltooid verleden toekomende tijd. Vaak praat je in de conditionnel over iets wat je zou doen of zou willen doen in de toekomst.

“Ik zou zo graag op vakantie willen!”

Je gebruikt le conditionnel in een aantal situaties, bijvoorbeeld:

  • om een voorwaarde aan te geven;
  • om een wens aan te geven;
  • om een beleefd verzoek te doen;
  • om advies te geven.

Hoe vorm je een conditionnel?

Le conditionnel vormen is heel simpel. Het lijkt op het vormen van le futur simple. Je voegt namelijk uitgangen toe aan het hele werkwoord. Bij le futur simple gebruik je de uitgangen van avoir. Bij le conditionnel gebruik je de uitgangen van l’imparfait. Laten we even de uitgangen van l’imparfait herhalen.

  • Je …ais
  • Tu …ais
  • Il/elle/on …ait
  • Nous …ions
  • Vous …iez
  • Ils/elles …aient

Le conditionnel bestaat dus uit het hele werkwoord + een uitgang van l’imparfait. Laten we nager nemen als voorbeeld.

je nagerais

tu nagerais

il/elle/on nagerait

nous nagerions

vous nageriez

ils/elles nageraient

De uitgangen van l’imparfait zetten we ook achter werkwoorden die eindigen op -ir en -oir.

Bij werkwoorden die eindigen op -re haal je de laatste -e weg en plak je de imparfait uitgangen aan het werkwoord vast. Kijk maar naar het werkwoord prendre. We halen eerst -e van het hele werkwoord af.

je prendrais

tu prendrais

illes/elles/ont prendrait

nous prendrions

vous prendriez

ils/elles prendraient

Onregelmatige werkwoorden

Let op! Er zijn veel onregelmatige werkwoorden waarbij de stam verandert. De uitgangen van l’imparfait moet je wel altijd gebruiken. Neem de werkwoorden hieronder goed door. Die hebben allemaal een andere stam in le conditionnel.

être                             je serais

avoir                           j’aurais

devoir                         je devrais

savoir                          je saurais

aller                             j ‘irais

faire                             je ferais

cueillir                         je cueillerais

recevoir                       je recevrais

vouloir                         je voudrais

tenir / venir                 je tiendrai / je viendrais

accueillir                     j’accueillerais

pouvoir                       je pourrais

voir                              je verrais

courir                          je courrais

mourir                         je mourrais

envoyer                       j’enverrais