De Bijlesstudent

- De opbouw van het oog -

Bijles Biologie VWO

Hoe werkt het oog?

Het oog maakt gebruik van licht om beelden door te geven aan de hersenen. Maar op welke manier komt zo’n beeld nou tot stand in je oog? Wij gaan je uitleggen hoe dat gaat.

Licht stroomt eerst je oog binnen door het hoornvlies, onderdeel van het harde oogvlies. Dit kun je zien als de eerste lens van het oog. De tweede is de ooglens. Je ooglens kan boller en platter worden om het beeld te scherpstellen. Dit heet accommoderen. Tussen de twee lenzen zit de iris en de pupil. De iris is het gekleurde deel van het oog. De pupil is zwart. Het is in feite de opening in de iris. Hoe groter de opening, hoe meer licht er in het oog valt. Een groter pupil is nodig om beter te zien als het donker wordt.

De iris bestaat uit spieren die reguleren hoe groot de pupil wordt. Dit is afhankelijk van hoeveel licht er in de omgeving is. Er zitten twee soorten spieren in de iris: kring- en lengtespieren. De spieren zijn antagonisten van elkaar. Ze hebben dus een tegenovergestelde werking. Wanneer de kringspieren samentrekken (en de lengtespieren ontspannen zijn) wordt de pupil kleiner. Wanneer de lengtespieren samentrekken (en de kringspieren ontspannen zijn) wordt de pupil groter.

Het netvlies

Het licht wat door de pupil is gevallen komt terecht op het netvlies. Het netvlies kun je zien als een lichtgevoelig plaatje. Op het netvlies wordt het beeld verkleind en omgekeerd afgebeeld. Het beeld wat het netvlies vormt wordt dan door middel van impulsen naar de hersenen verstuurd. Dit gaat via zenuwcellen die samen komen in de oogzenuwen. De oogzenuwen verbinden de ogen met de hersenen. Waar de zenuwceluitlopers samen komen en het oogzenuw vormen is de blinde vlek.

 

Staafjes en kegeltjes

Het beeld komt tot stand wanneer er licht valt op de staafjes en kegeltjes van het netvlies, ons lichtgevoelig plaatje. De staafjes en kegeltjes zijn de zintuigcellen van het oog. Staafjes hebben een lage drempelwaarde voor licht waardoor er al impulsen ontstaan bij weinig licht. Staafjes nemen geen kleur waar. Ze nemen alleen grijstinten en contrasten waar. Als je in het donker om je heen kijkt zie je dan ook alleen maar grijstinten.

Kleur in het beeld wordt aangevuld door de kegeltjes. De kegeltjes hebben een hoge drempelwaarde voor licht. Daarom zie je alleen maar kleur als het licht is overdag. Er zijn drie typen kegeltjes, ze zijn voor verschillende kleuren gevoelig. Wanneer licht van die kleur op zo’n kegeltje valt wordt het kegeltje geprikkeld. Er ontstaan impulsen. Die worden naar de hersenen gestuurd, daar gecombineerd met de impulsen uit de staafjes en verwerkt. Voila! We kunnen een beeld zien!

Wil je weten hoe het precies zit met het scherpstellen van het beeld op je netvlies en hoe je nou in je hersenen bewust wordt van wat je ziet? Check onze uitleg over scherpstellen en beeldvorming.