De Bijlesstudent

Hydrofiel en hydrofoob

Bijles Scheikunde VWO

Wat hydrofiel en hydrofoob eigenlijk?

Sommige stoffen zijn hydrofiel en sommige zijn hydrofoob. Wat betekent dat nou?

Sommige stoffen lossen goed op in water, die zijn hydrofiel. Sommige stoffen lossen niet goed op in water, die zijn hydrofoob. Heb je wel eens olie met water geprobeerd te mengen? Dat gaat moeilijk. Olie is namelijk hydrofoob.

Het verschil tussen hydrofiele en hydrofobe stoffen wordt verklaard door waterstofbruggen.

            Wil je meer weten over waterstofbruggen? Check onze uitleg hier!

Waterstofbruggen ontstaan bij OH en NH groepen, weet je nog? Er ontstaat zo’n brug doordat deze twee bindingen polair zijn. Polair betekent dat er op beide atomen een partiële lading zit. Bij de O en de N zit een partiële negatieve lading en bij de H zit een partiële positieve lading. De negatief geladen O of N van een molecuul en de positief geladen H van een ander molecuul trekken dan een beetje aan elkaar. Op die manier ontstaat een waterstofbrug.

Stoffen zijn hydrofiel als ze door middel van het vormen van waterstofbruggen, goed in water oplossen. Polaire stoffen kunnen ook goed met elkaar oplossen.

Wanneer is een stof hydrofoob?

Hydrofoob betekent letterlijk “bang voor water”. Stoffen zijn hydrofoob als ze geen waterstofbruggen kunnen vormen met water en daardoor niet goed oplossen in water. Ze bevatten namelijk geen OH en NH groepen. Hydrofobe stoffen zijn apolair. Dit betekent dat er geen partiële ladingen aanwezig zijn. Hydrofobe moleculen zijn dus altijd neutraal geladen. Er kunnen dus geen polaire bindingen ontstaan. Hydrofobe stoffen lossen ook goed met elkaar op, omdat apolaire stoffen goed met apolaire stoffen oplossen. Voorbeelden van hydrofobe stoffen zijn vetten en oliën.

Dus: kunnen er waterstofbruggen ontstaan? Dan is de stof hydrofiel! Kan dat niet? Dan is de stof hydrofoob.

Het gebruik van een emulgator

Wil je dan toch een hydrofiele stof mengen met een hydrofobe stof, zoals olie? Daar heb je een emulgator voor nodig. Een emulgator zorgt ervoor dat twee stoffen mengen die normaal gesproken moeilijk of niet mengbaar zijn. Een emulgator bestaat uit deeltjes waarvan een deel hydrofiel is en een deel hydrofoob is. Het bestaat uit deeltjes die een hydrofiele kop en een hydrofiele staart hebben. Zo’n deeltje gaat dan tussen de hydrofiele en hydrofobe stof zitten. Het hydrofiele deel van de emulgator verbindt zich met de hydrofiele stof. Het hydrofobe deel doet hetzelfde met de hydrofobe stof. Op die manier ontstaat een binding tussen beide stoffen.