De Bijlesstudent

Voegwoorden

Bijles Duits HAVO

Wat zijn voegwoorden?

Wat doen voegwoorden eigenlijk? De naam zegt het al: ze voegen dingen samen. Ze verbinden twee hoofdzinnen, twee bijzinnen of een hoofdzin met een bijzin met elkaar. Niet alleen in het Nederlands, maar ook in het Duits. Dit klinkt heel ingewikkeld, maar dat valt best mee! Lees snel mee voor de uitleg!

Hoofd- en bijzinnen in het Duits

Een eerste vuistregel is: in het Duits schrijf je altijd een komma voor het voegwoord, tenzij het und of oder is. Voor deze twee voegwoorden hoef je geen komma te zetten.

Laten we gaan kijken naar de eigenschappen van hoofdzinnen en bijzinnen en welke voegwoorden bij welke horen.

Hoofdzin/ Hauptsatz

– Een hoofdzin kan zelfstandig worden gebruikt, de zin staat op zichzelf al en heeft geen bijzin nodig om compleet te zijn.

–  In een hoofdzin staat de persoonsvorm altijd op de tweede plek. Een uitzondering hierop is wanneer de hoofdzin een vraagzin is; dan staat de persoonsvorm op de eerste plek. Bijvoorbeeld: hast du Hunger? Hier is ‘hast’’ de persoonsvorm in de vraagzin en zoals je kunt zien staat deze ook als eerst in de zin.

–  Wanneer je geen extra woordje tussen het onderwerp en de persoonsvorm kunt plaatsen.

– Na een hoofdzin kan nog een hoofdzin volgen, maar ook nog meerdere bijzinnen. Hieronder zul je alles vinden wat je moet weten over bijzinnen!

Bijzin/ Nebensatz

– Een bijzin kan niet op zichzelf worden gebruikt en heeft een hoofdzin nodig ter ondersteuning

– De persoonsvorm staat in een bijzin altijd aan het einde van de zin. Bijvoorbeeld: ich weiß, dass sie nicht kommen kann.  

Voegwoorden in hoofd- en bijzinnen

Voegwoorden hoofdzin → hoofdzin.

Als je twee hoofdzinnen aan elkaar wilt koppelen in het Duits, dan kun je onderstaande voegwoorden gebruiken.

–        Denn = want

–        Oder = of

–        Sondern = maar

–        Aber = maar

–        Und = en

Voegwoorden hoofdzin → bijzin

Wanneer je een hoofdzin aan een bijzin wilt koppelen, kun je deze voegwoorden gebruiken.

–        W-fragen (warum, wer, wo, wie, wann, etc.)

–        Wenn = als

–        Weil = omdat

–        Als = toen

–        Dass = dat

–        Ob-obwohl = of-hoewel