De Bijlesstudent

Kernzinnen en signaalwoorden

Bijles Nederlands VMBO

Wat zijn kernzinnen en signaalwoorden?

Tijdens het lezen van eindexamenteksten zijn kernzinnen en signaalwoorden jouw beste vrienden. Kernzinnen geven jou de belangrijkste informatie uit een alinea. Zo krijg je al snel een idee van waar de tekst over gaat. Kernzinnen staan vaak helemaal aan het begin of helemaal aan het einde van een alinea.

Met signaalwoorden leidt de schrijver jou als lezer door de tekst heen. Signaalwoorden zijn ook heel belangrijk op je eindexamen. Misschien ken jij ze wel als ‘verbindingswoorden’ of ‘indicators’. Signaalwoorden geven verbanden tussen zinnen en alinea’s en zorgen voor structuur en samenhang. Het is super belangrijk dat je signaalwoorden kunt herkennen en weet wat voor verbanden ze aangeven in de tekst. Ze helpen jou om erachter te komen hoe de tekst in elkaar zit. Er zijn veel verschillende soorten signaalwoorden. Kijk eens naar de volgende zin.

Met en zonder signaalwoorden

Zonder signaalwoorden: Ik dacht dat ik op tijd was. Ik ben te laat. Ik heb een te laat briefje moeten ophalen.

Met signaalwoorden: Ik dacht dat ik op tijd was. Echter, ben ik te laat. Daardoor moest ik een te laat briefje ophalen.

Die wordt al een stuk duidelijker met signaalwoorden, vind je niet? Je ziet nu namelijk dat er een tegenstellend en een oorzaak-gevolg verband aanwezig is.

Soorten signaalwoorden

De verschillende soorten signaalwoorden hebben we hieronder even op een rijtje gezet voor je met een paar voorbeelden van signaalwoorden en een voorbeeld van een zin.

  • Tijd: voordat, nadat, eerst, daarna
    • Voordat ik naar bed ga poets ik mijn tanden.
  • Opsomming: en, ook, ten tweede, vervolgens
    • Ik houd van gezond eten maar daarnaast houd ik zeker van vettig en ongezond eten.
  • Oorzaak-gevolg: door, waardoor
    • Ik had eigenlijk niet zo goed geleerd waardoor ik een onvoldoende had gehaald.
  • Doel-middel: om te, waarmee
    • Je moet eerst een wachtwoord hebben om in te
  • Tegenstelling: maar, echter, hoewel, toch
    • […] maar ik vind het echt te vies weer om vandaag naar buiten te gaan.
  • Voorbeeld: ter illustratie, zo, bijvoorbeeld, zoals
    • Als ik vrij ben doe ik dingen zoals sporten en lezen.
  • Reden/verklaring/argument: omdat, want, namelijk, daarom
    • Ik trakteer vanavond, want ik ben jarig!
  • Voorwaarde: als, tenzij, mits
    • Ik ga mee vanavond als ik klaar ben met leren.
  • Samenvatting/conclusie: kortom, al met al, zoals gezegd, vandaar dat
    • Ik moet dit weekend twee hockeywedstrijden spelen, vandaar dat ik goed moet slapen vanavond.