De Bijlesstudent

Prikkels en het aanleren van gedrag

Bijles Biologie VWO

Wat zijn prikkels?

Gedrag is het geheel van acties en reacties van een organisme met betrekking tot zijn of haar omgeving. In het kort: eigenlijk alles wat je doet. Hoe je je gedraagt hangt af van de prikkels die jij binnen krijgt van je omgeving. De reactie van je spieren of klieren op een prikkel heet een respons. Een respons wordt geregeld door je zenuwstelsel en hormonen.

Een prikkel is een waarneembare verandering in de omgeving. Een verandering van de uitwendige omgeving heet een uitwendige prikkel. Voorbeelden van uitwendige prikkels zijn temperatuur en geluid. Zo’n verschil in de omgeving kan ook inwendig zijn. Denk aan de prikkel dorst. Het gedrag wat dat volgt is drinken.

Een begrip die hierbij van belang is, is motivatie. Motivatie is je bereidheid om iets te doen. Motivatie kan zowel een inwendige als een uitwendige prikkel zijn.

Er zijn tot slot twee bijzondere soorten prikkels die je moet kennen: een sleutelprikkel en een supranormale prikkel. Een sleutelprikkel is een prikkel die altijd één vast (instinctief) gedrag oproept. Een voorbeeld dat vaak op scholen wordt besproken is het bedelen voor voedsel van meeuwenkuikens wanneer ze de rode vlek op de gele snavel van hun moeder zien. Het waarnemen van de rode vlek is de sleutelprikkel.

Een supranormale prikkel is een kunstmatig overdreven prikkel die een sterkere respons opwekt dan een gewone prikkel.

Leerprocessen

We weten dat gedrag afhangt van prikkels. We gaan nu kijken hoe dieren gedrag leren. Er zijn zes manieren van gedrag aanleren die jij moet kennen. We gaan ze kort langslopen.

Inprenten is het leerproces dat meteen plaatsneemt na de geboorte. Dit gedrag is niet meer af te leren. Trial and error is proefondervindelijk leren. Je leert door iets te proberen. Als je iets fouts doet, zal je onthouden dat dit verkeerd was. Imitatie is het nadoen van soortgenoten. Gewenning is de afname van reactie bij een prikkel die herhaald wordt. Inzicht combineert verschillende ervaringen wanneer je je in een onbekende situatie bevindt.

Conditionering

Bij conditionering wordt bepaald gedrag aangeleerd door middel van reacties op signalen uit de omgeving. Bij klassieke conditionering worden twee prikkels tegelijk gegeven. Door die twee prikkels altijd tegelijk te geven, gaat het individu de twee met elkaar associëren. Op scholen wordt vaak het voorbeeld van de hond van Pavlov besproken. De hond van Pavlov kreeg altijd eten wanneer een belletje ging; wanneer het belletje ging, liep de hond het water al in de mond. Er ontstond een associatie met de bel en eten. Bij operante conditionering wordt het individu beloond of gestraft, zodat hij de handeling gaat associëren met iets leuks of iets vervelends.

We moeten ook onderscheid maken tussen erfelijk gedrag en aangeleerd gedrag. Soms staat gedrag vast bij de geboorte. We hoeven bijvoorbeeld nooit te leren hoe we moeten lachen, huilen of gapen. Onze reflexen zijn ook erfelijk.