De Bijlesstudent

Der, die en das

Bijles Duits VWO

Wat betekent der, die en das?

De Duitse woorden ‘der’, ‘die’ en ‘das’ lijken op onze Nederlandse woorden ‘de’ en ‘het’. Bijna altijd is zo dat ‘het’ in het Duits ‘das’ wordt, en ‘de’ juist ‘der’ of ‘die’.

Waarom heeft de Duitse taal meer verschillende woordjes? Wanneer gebruik je welke precies?

Der, die en das worden gebruikt om het geslacht van een woord aan te geven:

Der

Mannelijk

Die

Vrouwelijk

Das

Onzijdig (neutraal)

Hoe weet je nu wat voor geslacht een woord heeft? Meestal moet je dit, net als bij Nederlands, gewoon leren: je weet, het is ‘het huis’ en ‘de muis’.

Maar je zult merken dat hoe meer woordjes je leert, hoe sneller je weet welk lidwoord bij welk zelfstandig naamwoord hoort. Om dat te begrijpen, zijn er gelukkig wel een paar vaste regels. Die staan hieronder!

De vaste regels van der en die

Der

  1. Der’ is mannelijk. Het is bijvoorbeeld ‘der Mann’.
  2. Der’ is in het Nederlands meestal ‘de’ en niet ‘het’.
  3. Namen van windrichtingen (der Osten); seizoenen (der Winter); maanden (der Februar); en dagen (der Samstag) zijn allemaal met ‘der’.
  4. Mannelijke dieren (der Stier) zijn met ‘der’.
  5. Automerken (der Volkswagen) zijn met ‘der’.
  6. Woorden die eindigen op ‘-er’ (der Metzger) worden met ‘der’ geschreven.
  7. Woorden die eindigen op ‘-ismus’ (der Liberalismus)

 Die

  1. ‘Die’ is vrouwelijk. Het is bijvoorbeeld ‘die Frau’.
  2. ‘Die’ is in het Nederlands meestal ‘de’ en niet ‘het’.
  3. Vrouwelijke dieren (die Kuh) zijn met ‘die’.
  4. Namen van cijfers (die Drei) zijn met ‘die’.
  5. Namen van bloemen en bomen (die Tulpe, die Eiche) zijn met ‘die’.
  6. De meeste Duitse rivieren (die Elbe) zijn met ‘die’.
  7. Veel woorden die eindigen op ‘-e’ (die Seele) zijn met ‘die’.
  8. Woorden die eindigen op: ‘-schaft’ (die Wissenschaft); ‘-ei’ (die Bäckerei); ‘-ität’ (die Identität); ‘-ion’ (die Religion); ‘-keit’ (die Schwierigkeit); ‘-ung’ (die Versicherung) zijn allemaal met ‘die’.

De vaste regels van das

Das

  1. Das’ is onzijdig. Het is bijvoorbeeld ‘das Kind’.
  2. Das’ is in het Nederlands meestal ‘het’ en niet ‘de’.
  3. Namen van letters (das A).
  4. Namen van kleuren (das Blau).
  5. Woorden die beginnen met ‘Ge-’ en eindigen op ‘-e’ (das Gemälde).
  6. Woorden die eindigen op ‘-ial’ (das Differential).