De Bijlesstudent

Naamvallen

Bijles Duits VWO

Welke naamvallen zijn er in het Duits?

Duitse naamvallen zien er altijd heel eng en moeilijk uit. Het is ook moeilijk, omdat ze er veel meer hebben dan wij. Maar gelukkig is Duits wél een logische taal, die snel te begrijpen is. Dat betekent je eigenlijk altijd kunt ‘uitrekenen’ welke naamval je nodig hebt! Als je dat eenmaal weet, gaat je Duits een heel stuk makkelijker! Stamp dit schema dus zo vaak mogelijk:

Lidwoorden

Mannelijk

Vrouwelijk

Onzijdig

Meervoud

1e naamval (nominativ)

der

ein

die

eine

das

ein

die

(meine)

2e naamval

(genitiv)

des

eine

der

einer

des

eines

der

(meiner)

3e naamval

(dativ)

dem

einem

der

einer

dem

einem

den

(meinen)

4e naamval

(akkusativ)

den

einen

die

eine

das

ein

die

(meine)

De naamvallen verder uitgelegd

De eerste naamval: Nominativ

Deze is niet moeilijk. De eerste naamval gebruik je als het woord het onderwerp is.

‘De vrouw is stoer’ => 1e naamval & vrouwelijk => ‘Die Frau ist cool’.

De tweede naamval: Genitiv

Deze is iets lastiger. Genitiv gebruik je als iemand iets bezit of als iets bij iets anders hoort. In het nederlands zeggen we dan vaak ‘van mijn’, ‘van de’, ‘van een’, etc. In het Duits verdwijnt het woordje ‘van’ en wordt het lidwoord anders. Toch hebben wij soms ook dezelfde constructie, bijv. ‘Koning der vaderlanden’.

‘De jurk van mijn moeder’ => 2e naamval & vrouwelijk => ‘Das Kleid meiner Mutter’.

De derde naamval: Dativ

Deze is moeilijk! Dativ gebruik je als het woord een meewerkend voorwerp (MW VW) in de zin is. Dus géén lijdend voorwerp, vaak zul je de zin even moeten ontleden. In het Nederlands komt voor het meewerkend voorwerp altijd het woordje ‘aan’ of ‘voor’. Een andere goede regel om te kennen is dat je Dativ ook altijd gebruikt na bepaalde voorzetsels, die kun je ook gewoon leren: aus, bei, mit, nach, seit, von, zu, entgegen, auẞer en gegenüber.

‘Ik geef mijn hond een bal’ => Ik geef aan mijn hond, dus MW VW => 3e naamval & mannelijk (der Hund) => ‘Ich gebe meinem Hund einen Ball’.

De vierde naamval

De vierde naamval: Akkusativ

Deze is ook best lastig. Je moet vooral opletten Dativ en Akkusativ niet met elkaar te verwisselen. Het Akkusativ gebruik je namelijk als het woord een lijdend voorwerp is. Ook hier moet je dus eerst ontleden om te zien of het om een lijdend of een meewerkend (Dativ) voorwerp gaat. Ook hier kun je een rijtje leren, want na de volgende voorzetsels gebruik je altijd Akkusativ: durch, für, ohne, um, bis, gegen en entlang.

‘De man koopt een TV’ => Wat koopt de man? = Een TV. Dus: lijdend voorwerp => 4e naamval & mannelijk (der Fernseher) => ‘Der Mann kauft einen Fernseher’.

Leer al deze regels uit je hoofd en oefen super vaak, dan lukt het uiteindelijk best, beloofd!