De Bijlesstudent

Economische kringloop

Bijles economie VWO

Hoe ziet de economische kringloop eruit?

schermafbeelding 2021 04 06 om 18.48.59

De economische kringloop net als in dit schema hierboven is een vereenvoudigde weergave van de belangrijkste geldstromen in een economie. Veel geldstromen worden in deze kringloop ook overgeslagen maar de belangrijkste zijn aanwezig.

Yn = nationaal inkomen (netto)

C = consumptie

S = (particuliere) besparingen

B = belasting

O = overheidsbestedingen

In = (netto) investeringen

E = export

I = import

B-O = financieringssaldo overheid. Als de overheid geld tekort komt moeten zij dit lenen via financiële instellingen.

E-M = saldo lopende rekening. Als Nederland meer exporteert dan importeert dan moet het buitenland ons meer betalen dan ze ontvangen, doordat zij meer betalen dan binnen krijgen ontstaat er een tekort op hun lopende rekening. Als het buitenland een tekort heeft op hun lopende rekening moeten ze in het buitenland (via financiële instellingen) geld lenen.

Welke formules zijn er?

Er zijn een paar formules gebaseerd op de economische kringloop:

Gezinnen

Inkomen wat in komt =  gaat vervolgens uitgegeven worden aan; consumptie, sparen en belasting. Y = C + S + B.

Bedrijven

Het inkomen wordt verdiend door te produceren voor bedrijven, gezinnen, overheid en buitenland. Alleen aan producten die we zelf maken verdienen we inkomen, daarom:

Y = C + I + O + E – M

Nationale spaarsaldo =

Y – (C+I+O). Een spaarsaldo is positief als we meer verdienen dan dat we uitgeven. Het extra inkomen wordt verkregen omdat er meer producten worden geïmporteerd dan geëxporteerd.

Voorbeeld=

Y = 1000, dit gaat dus van bedrijven naar gezinnen (loon, wat betaald wordt door bedrijven).

C = 600, gezinnen geven dus 600 aan uit consumptie (dit geld gaat weer terug in de bedrijven)

S = 100, dit is spaargeld wat mensen niet uitgeven aan consumpties, dus S gaat van gezinnen naar financiële instellingen.

B = 300, belasting is 300 dit gaat van gezinnen naar overheid.

O = 325, de overheid besteed 325 aan bijvoorbeeld het bouwen van nieuwe woningen, dit wordt gedaan door bedrijven dus gaat 325 van overheid naar bedrijven

Nu zie je dat de overheid 300 heeft binnen gekregen van belasting en vervolgens 325 uitgeeft. Ze komen dus 25 te kort. Daarom leent de overheid 25 van financiële instellingen. Dit is O – B (Overheidsbestedingen – Belasting) 325-300 = 25. 25 gaat dus van financiële instellingen naar overheid.

Financiële instellingen

Financiële instellingen investeren in bedrijven, dit is In. Van financiële instellingen naar bedrijven dus In: 35.

Nederland verkoopt ook producten aan het buitenland (van buitenland naar bedrijven dus, want het geld komt naar ons)  dit is de E, van export. E = 340.

Wij kopen ook goederen van het buitenland, dit geld gaat van bedrijven naar het buitenland = Import. M (import) = 300.

Er komt 340-300 (E-M)= 40 meer van het buitenland dan dat het buitenland binnenkrijgt dus zal het buitenland geld moeten lenen. Er gaat dus een lijn van financiële instellingen naar buitenland met E-M = 40.

Als je al deze informatie invult zul je zien dat alles klopt, en dat er geen gat zit qua geld. Als er ergens een tekort is wordt deze geleend.