De Bijlesstudent

À, au, aux, en, de

Bijles Frans VWO

Waarvoor worden de woorden À, au, aux, en, de gebruikt?

In het Frans zijn er vijf woorden: à, au, aux, en en de voor de twee Nederlandse woorden ‘in’ en ‘naar’. In het Nederlands gebruik je naar voor plekken waar je heen gaat en in voor plekken waar je bent. In het Frans is het wat minder eenvoudig. Wij zullen je uitleggen wanneer je welk woord in het Frans gebruikt.

Wanneer gebruik je welk woord?

Welk woord je gebruikt, hangt ten eerste af van of je het hebt over een land of over een plaats. Laten we eerst kijken naar wat je doet als je het hebt over een land.

Als je naar een land gaat gebruik je en, au of aux. Welke van de drie je kiest is afhankelijk van of het land vrouwelijk is, mannelijk is of in meervoud staat.

En gebruik je als je naar een vrouwelijk land gaat. Vrouwelijke landen eindigen bijna altijd op -e. Je gebruikt ook en als het land met een klinker begint.

            Je vais en France.

            Je vais en Chine.

Als een land niet op -e eindigt kun je er vanuit gaan dat het om een mannelijk land gaat. Au of aux gebruik je als je naar een mannelijk land gaat. Aux gebruik je als de naam van het land in een meervoudsvorm staat.

            Je vais au Japon.

            Je vais aux États-Unis.

Kom je net uit een land? Dan gebruik je de. Voor mannelijke landen gebruik je du, voor vrouwelijke landen gebruik je de en voor meervoudslanden gebruik je des.

            Je viens du Canada.

            Je viens des Pays-Bas.

Is het kijken naar mannelijke- of vrouwelijke woorden belangrijk?

Bij plaatsen hoeven we niet te kijken of iets vrouwelijk is, mannelijk is of in het meervoud staat. We gebruiken bij plaatsen altijd alleen à en de.

À gebruik je altijd als je in een plaats bent of naar een plaats toe gaat. Als je bij iemand thuis bent kun je ook chez gebruiken.

            Je vais à Londres.

Kom je ergens vandaan? Dan gebruik je de.

            Je viens du Paris.