De Bijlesstudent

Het bijvoeglijk naamwoord

Bijles Duits VMBO

Wat is een bijvoeglijk naamwoord?

Een bijvoeglijk naamwoord voegt iets bij een zelfstandig naamwoord. Een boom die groen is, wordt een groene boom. Je ziet dat het woord zelf verandert zodra het bijvoeglijk is. Hoe werkt dat nou in het Duits, wanneer je een bijvoeglijk naamwoord aan een zelfstandig naamwoord koppelt?

Hoe maak je een bijvoeglijk naamwoord?

Het grootste verschil is dat een bijvoeglijk naamwoord in het Duits verschillende uitgangen kan hebben, afhankelijk van het geslacht van een woord. Dat doen wij niet in het Nederlands. Hierbij moet je óók nog opletten of het om ‘de’ (der, die, das, dem, etc.) of om ‘een’ (ein, eines, einer, etc.) gaat, want daarmee krijg je ook weer andere uitgangen.

1. Schema’s

Jaha, alweer schema’s! Deze lijken op de schema’s die je sowieso al moet kennen, maar deze heeft gelukkig een handig ezelsbruggetje. Er eindigen hier namelijk heel veel woorden op ‘-en’ en in het schema vormen die uitgangen een soort ‘sleutel’, kijk maar:

 

Der-groep

Mannelijk

Vrouwelijk

Onzijdig

Meervoud

1 (nominativ)

-e

-e

-e

-en

2 (genitiv)

-en

-en

-en

-en

3 (dativ)

-en

-en

-en

-en

4 (akkusativ)

-en

-e

-e

-en

Ein-groep

Mannelijk

Vrouwelijk

Onzijdig

Meervoud

1 (nominativ)

-er

-e

-es

-en

2 (genitiv)

-en

-en

-en

-en

3 (dativ)

-en

-en

-en

-en

4 (akkusativ)

-en

-e

-e

-en

 

Je ziet: de meesten zijn gewoon ‘-en’, die onthoud je met de sleutel. Bij de der-groep zijn alle andere uitgangen -e en bij de ein-groep heb je alleen in het nominativ twee variaties. Dat is eigenlijk alles wat je moet weten!

2. Stappen

Ga je uitzoeken welke uitgang een bijvoeglijk naamwoord krijgt? Volg dan telkens deze drie stappen:

–        Vraag je af in welke groep (‘der’ of ‘ein’) het woord hoort

–        Zoek uit welk geslacht het woord heeft (man, vrouw, niks, of meervoud)

–                Kijk in welke van de vier naamvallen het zelfstandig naamwoord staat waaraan je het bijvoeglijk naamwoord wilt toevoegen.

Een voorbeeld

We nemen als voorbeeld de volgende zin: ‘Jij hebt een rode aap gehoord’. We zien dat het lidwoord ‘een’ is, dus kijken we in de Ein-groep. Vervolgens zien we dat het woord ‘aap’ (Affe) in het Duits mannelijk is: der Affe. Ten derde kijken we naar de naamval: wat wordt er gehoord? Een rode aap. De aap is dus lijdend voorwerp, dus vierde naamval.

Weten we de groep, het geslacht en de naamval, dan kunnen we in het schema direct de juiste uitgang aflezen, in ons geval wordt het ‘-en’: Du hast einen roten Affen gesehen.