De Bijlesstudent

Bijwoorden / Adverbs

Bijles Engels VMBO

Wat zijn bijwoorden?

Adverbs (bijwoorden) voegen extra informatie toe aan een zin. Vaak geven adverbs extra informatie over het werkwoord, dus over de manier waarop iets gebeurde. Bijna alle bijwoorden ontstaan vanuit bijvoeglijk naamwoorden (late, special, strong, etc.) en kan je herkennen omdat ze vaak eindigen op een -y (lately, specially, strongly).

Er zijn een paar regels voor het maken van adverbs:

  • Als het bijvoeglijk naamwoord eindigt op: -able/ible verdwijnt de -e en wordt die verplaatst door een -y.Bijvoorbeeld: possible → possibly.
  • Eindigt het bijvoeglijk naamwoord op een -y, dan verandert de -y naar een -i. Bijvoorbeeld: happy → happily

Zijn er ook uitzonderingen?

Er zijn ook een paar uitzonderingen:

Er zijn een paar bijvoeglijk naamwoorden die niet veranderen als je er een bijwoord van maakt. Deze bijvoeglijk naamwoorden zijn: fast, low, hard, late, long en straight. Deze woorden blijven dus altijd hetzelfde. Ook zijn er een paar woorden die je met -ly en zonder -ly mag schrijven, dit zijn: deep, loud, fair, wrong en right.

Er zijn ook bijwoorden die een frequentie aangeven (hoe vaak je iets doet/gebruikt). Voorbeelden van adverbs of frequenties zijn: never, always, rarely, never en usually. Je gebruikt deze woorden om aan te geven hoe vaak of weinig je iets doet.

De positie van deze soort adverbs/bijwoorden is voor het hoofdwerkwoord in de zin.

  • I never liked brussel sprouts (spruitjes)
  • My boss usually arrives on time

De adverb/bijwoord komt achter het werkwoord to be

  • She is always happy when the sun is shining
  • My brothers are often playing outside together

Bijwoorden voor plaats en tijd

Naast bijwoorden van frequentie (adverbs of frequency) zijn er ook bijwoorden die plaats en tijd aangeven. Voorbeelden van dit soort bijwoorden zijn: yesterday, next weekend, tomorrow, at school, at home etc. Deze bijwoorden maken duidelijk waar en wanneer iets plaatsvindt. In het Engels staat een bijwoord van tijd meestal aan het einde van de zin:

  • I bought new trousers for my brother last week

Maar als je nadruk wilt leggen op het moment, dan staat deze vooraan in de zin:

  • Last week, I bought new trousers for my brother.

Heb je in een zin een bijwoord van tijd en een bijwoord van plaats, dan geldt P.V.T = Plaats voor Tijd.

  • We were playing football in the stadion some days ago
  • We were eating ice cream in Amsterdam a year ago